Wandelen

Gepubliceerd op 9 mei 2021 om 11:38

Iedere ochtend wandel ik een half uurtje. Meestal samen met Enzo. Ik probeer het ritme vol te houden, haak alleen af als het regent of als ik echt iets anders moet doen. Vanuit mijn huis loop ik langs de ringvaart en door het parkje weer terug, of andersom. Het is goed voor mijn spieren en gewrichten, die soms voor mijn gevoel al langer meegaan dan mijn leeftijd. Het voelt ook goed in mijn hoofd. Wanneer daar muizenissen zitten helpen het kabbelende water, de bomen en de buitenlucht deze tijdelijk even te verbannen. Soms stop ik onderweg om naar de vogels te luisteren of omhoog te kijken naar de bomen waarin langzaam aan steeds meer groene blaadjes zichtbaar worden en waarin de zachte kleuren van de bloesem afsteken tegen de Hollandse blauwe lucht met witte wolken. Net als de bomen is ook de dierenwereld in lente stemming, iedere ochtend zie ik moeder eend voorbij zwemmen met haar kindjes.

Wandelen in de natuur zorgt ook voor inspiratie, die niet altijd komt terwijl je starend achter je toetsenbord met je vingers boven de toetsen hangt. Mijn 2e manuscript is af. De volgende stap is lezen, herschrijven, laten lezen en weer herschrijven. Het is een apart gevoel wanneer je de laatste regel van je boek schrijft. Een mooi gevoel, maar aan de andere kant ook een beetje leeg gevoel. Even is er geen nieuw verhaal, geen nieuwe personages.
Ik blijf wandelen en krijg zo vast weer inspiratie voor een volgend boek.

Toen ik jong was vond ik wandelen iets voor oude mensen. Inmiddels behoor ik tot de groep die ik vroeger bestempelde als oud. Maar wandelen is al lang niet meer een hobby voor ouderen, het lijkt of iedereen tegenwoordig wandelt, jong en oud, het is hip. Net als fietsen, e-bikes zijn niet aan te slepen. Hoewel ik denk ik meer een wandelaar ben dan een fietser overweeg ik, als ik nog ouder ben en met pensioen, ook zo’n fiets aan te schaffen. Enzo wil dan een elektrische mountainbike, dat zie ik persoonlijk niet zo zitten. Misschien spreekt hier het leeftijdsverschil, hij is negen jaar jonger. Voorlopig wandel ik dus. 

Ontspannen wandelen. Toch irriteer ik me soms ook, ik kan er niets aan doen. Ik stoor me namelijk aan mensen die rechts lopen op een fietspad. Regelmatig word ik gedwongen me naar de andere kant van het pad te verplaatsen omdat ik links loop. Soms vertik ik het en loop ik door. Negen van de tien keer doet de tegenligger dat ook. Ik heb geen zin in botsingen of boze medewandelaars op mijn ontspannen wandelingetje dus verhuis ik dan maar naar de andere kant van het pad om vervolgens nadat we elkaar gepasseerd zijn weer netjes terug naar links te gaan. Gelukkig is het niet heel druk op mijn route, maar het feit dat de mensen die ik tegenkom vrijwel altijd rechts lopen maakte dat ik toch ging twijfelen. Klopte mijn gedachte over links lopen op een fietspad wel?
Ik heb het opgezocht, en wat blijkt?
De verkeersregel die bepaalt dat je als wandelaar links moet lopen op fietspaden en op wegen is in 1991 al verwijderd uit de wegenverkeerswet. Je mag tegenwoordig zowel links als rechts lopen.
Ik ben dus echt zo oud als de mensen die toen ik jong was wandelden.
Vanaf morgen loop ik rechts.

GPS tracker

Gepubliceerd op 1 mei 2021 om 19:22

‘Nee pap ik neem die mevrouw niet mee naar huis. We moeten trouwens naar de fysio.’
‘Wie heeft dat dan aan mij verteld? Ik weet het niet meer, ik weet even niets meer, ik ben in de war. Maar zij moet wel met ons mee, dat hebben ze mij verteld. Dus je moet naar haar toe.’
Daar stond ik op de gang. Wat moest ik, dan maar naar die vrouw, ik ben daar niet goed in maar ik had geen keus, als ik niet ging, werd mijn vader boos en geloof me dan kan hij heel dwingend zijn.
‘Hallo mevrouw, wat kan ik voor u doen?’ zei ik zo vrolijk mogelijk tegen haar. 
‘Ik moet poepen.’
Oké, dacht ik, hier kan ik niets mee. Ik ben daar zoals ik eerder zei, niet goed in. Volgens ‘De Myers-Briggs type indicator’, een bekend model om naar persoonlijkheden te kijken, ben ik de ESFJ, of wel de verzorger. Ik herken mijzelf goed in dit type maar toch, dit ging te ver. ‘De verzorger’ was hier te letterlijk. Ik ging dus de kamer van de verpleegsters binnen en vond iemand die het probleem wel kon oplossen voor deze mevrouw. Klaar dacht ik. Maar zo werkt het niet, voor mijn vader was het probleem veel groter, alleen kon ik er niet achter komen welk probleem. Onderweg naar de fysio, bij de fysio, na de fysio, hij bleef maar over ‘dat jongetje’ praten, zo noemt hij die vrouw namelijk vaak. Geen idee waarom. Hij bleef erbij dat ‘het jongetje’ mee moest. Eenmaal terug in zijn kamer kon ik hem wat afleiden van het immense probleem van het ‘jongetje’. Ik begon over vroeger, over onze vakanties en langzaam werd hij weer wat rustiger. Ik leer van de verpleging, lees wat zij doen als hij zo onrustig is. Dat helpt. Ik leer kanten van mezelf kennen waarvan ik niet wist dat ik ze had. Toch blijf het lastig. Je probeert het te begrijpen maar dat is vrijwel onmogelijk.  

Soms wil hij ineens naar huis, maar als hij buiten het huis komt, wil hij terug. Het verwart hem. Hij loopt soms weg en weet dan niet meer waar hij is. De laatste keer was er een vriendelijke buurman die hem naar huis gebracht heeft. Die zijn er niet altijd. Daarom ga ik vandaag een horloge bestellen met een GPS tracker. Het klinkt prachtig. Je kan een veilige zone instellen en wanneer hij daarbuiten komt krijg ik een berichtje in de app. Uiteraard heb ik dat niet aan hem verteld, dan wordt hij waarschijnlijk wantrouwig. En hoewel het voor zijn eigen veiligheid is, snap ik dat nog ook. Het is natuurlijk geweldig, maar het lijkt verdacht veel op een enkelband van een gevangene, alleen heeft mijn vader geen misdrijf gepleegd en zit deze band om zijn pols. Ik heb hem uitgelegd dat er een knop op zit waar hij op kan drukken als hij de weg kwijt is, dat ik dan een berichtje krijg. Dat het allemaal heel hip en modern is. Ik durfde haast niet te hopen dat hij er mee zou instemmen, maar weer verbaasde hij me. Hij werd niet boos, zei niet dat hij het onzin vond, integendeel, het was een goed idee. Vandaag is hij het waarschijnlijk alweer vergeten en ik moet maar afwachten of hij het volgende week als ik het weer uitleg ook weer een goed idee vindt.
Ondertussen hoop ik maar dat hij niet alleen aan de wandel gaat.

Keller-Geister

Gepubliceerd op 24-04-2021

Eigenlijk ben ik best een brave burger. Ik houd me aan alle regels. Niet alleen nu, met corona, maar altijd, mijn hele leven al.
Vanaf het moment dat ik mijn rijbewijs had stopte ik met drinken als ik moest rijden. Ik was zo’n beetje in die tijd de enige die zich aan die regel hield. Zelfs mijn moeder reed met drank op, mijn vader niet, die liet mijn moeder dat doen, zoals de meeste mannen dat deden.
Ik dronk dus niet als ik moest rijden. Ik nam nog een spa rood en sloeg de meters bier en de glazen wijn die voorbij kwamen af. Hoewel wijn? We dronken in die tijd Keller-Geister, naar mijn mening mag dat de titel wijn niet dragen.
Dronken werden we er wel van.

Tegenwoordig zijn al mijn vrienden ouder en inmiddels ook een beetje brave burgers geworden. Rijden met drank op is gelukkig niet meer helemaal van deze tijd en als je het al zou willen, vrijwel nergens kan je nog parkeren in de stad zonder het equivalent van drie flessen Keller-Geister per uur te betalen.

In de jaren zeventig en tachtig was alles anders. Op feestjes stonden er glaasjes op tafel, glaasjes voor sigaretten met filter en glaasjes voor sigaretten zonder filter. Iedereen dronk en ging vrolijk na het feestje met eigen auto weer naar huis, waarom zou je de fiets pakken? Parkeren was geen probleem en gratis.
Ik moet toegeven, enigszins hypocriet was ik in die tijd wel. Ik nam ook de fiets niet, ik reed mee, tot ik zelf een rijbewijs had. Probleem was dat vrijwel niemand er mee leek te zitten. Aangehouden werd je wel, maar met een beetje geluk en een charmante glimlach, mocht je door rijden. Een bekeuring heeft bij mijn weten nog nooit één van mijn benevelde vrienden gekregen, laat staan dat hun rijbewijs ingevorderd werd. Die goeie ouwe jaren tachtig….. 

Ik weet nog hoe ik samen met een vriendin s nachts door Haarlem reed en aangehouden werd. Ik was een jaar of achttien, een rijbewijs had ik nog niet, die vriendin wel. Ze had een Simcaatje duizend, wie kent ze niet uit die tijd, zo’n vierkant autootje, het model dat je als kind tekent. We deden onze uiterste best om charmant te glimlachen, wat er volgens mij, na wat flessen Keller-Geister, niet aantrekkelijk moet hebben uitgezien. Toch werkte het.
Het Simcaatje had een glad achterbandje. Dat mijn vriendin zichtbaar behoorlijk aangeschoten was en dat ze haar rijbewijs zocht tussen haar make spullen in plaats van in haar portefeuille, was blijkbaar minder erg dan dat achterbandje. Eigenlijk moest hij een bekeuring uitschrijven, maar als ze nu morgen wat aan dat achterbandje deed zag deze vriendelijke agent het door de vingers. Wij lachten nog maar een keer charmant en dronken de week erop weer onze flesjes Keller-Geister.

Karin Slaughter, Obama en Nicci Gerrard: Lezen, leren en schrijven

Gepubliceerd op 10 april 2021 om 16:11

Het schrijven aan mijn 2e roman ligt soms even stil. Zoals afgelopen week. Ik was druk, ziekenhuis bezoekjes met mijn moeder, haar 1e vaccinatie, naar de fysio met mijn vader en daar tussendoor ook wat uren aan het werk.

Het schrijven zelf gaat weer goed. Ik heb even in een impasse gezeten maar daar ben ik inmiddels weer uit, ik weet waar ik naartoe wil met het verhaal en zit op 67000 woorden. De tijd van zoeken naar proeflezers komt dichterbij. Ik heb er al eentje waar ik blij mee ben. Annette van Luyk, een collega schrijfster, kritisch, eerlijk in haar feedback en bovenal een goed schrijfster. Daarna volgt redactie, de uitgever. Ik kijk er naar uit, hoewel ik inmiddels weet dat herschrijven keer op keer een intensief proces is. Toch vond ik elke fase van het schrijven en uitgeven van mijn eerste roman een geweldige ervaring. Schrijven is magie, zelfs op de momenten dat het even niet lukt, omdat je weet dat wanneer je inspiratie weer terug is en je achter je laptop gaat zitten en het snelle ritme van de aanslagen hoort, dat een nergens mee te vergelijken euforisch gevoel zal geven.

Ik lees naast schrijven graag en soms meerdere boeken tegelijk. Ik leer ervan. Op dit moment lees ik drie boeken. ‘Verzwegen’ van Karen Slaughter, gewoon ter ontspanning. ‘Een beloofd land’ van Barack Obama, omdat de man me intrigeert, ik meer over hem wil weten, over zijn motivatie, zijn leven, zijn weg naar de twee termijnen en de twee termijnen zelf. Obama schrijft mooi, gebruikt lange zinnen, waarvan sommige zeggen dat je ze moet vermijden, maar waarvan ik vind dat ze prettig lezen. En als derde lees ik het boek ‘Woorden schieten tekort’ van Nicci Gerrard. Ik kreeg het van een dierbare vriendin die het las en vond dat ik het ook moest lezen. Ze had helemaal gelijk. Wat schrijft Nicci Gerrard op een geweldig mooie manier over menselijke relaties en in het bijzonder die waarbij dementie de hoofdrol speelt.  
Ik vind het mooi hoe ze de vergelijking trekt naar de zorg voor je kind. Dat zorgen voor je kind een vanzelfsprekendheid is terwijl jij die zorg andersom nooit van je kind zal verlangen, maar dat je van jezelf wel verwacht dat jij voor jouw ouders zorgt en hiermee voorbij gaat aan het feit dat jij hier het kind bent.
Ze beschrijft de ondergeschiktheid van de verzorger. Aan hoe niemand kan begrijpen hoe die zich voelt. De schuldvraag, de dilemma’s. Dat je hele leven stil staat, dat er geen eigen leven meer is, alles staat in het teken van die partner. Je bent zijn geheugen, zijn beschermer, zijn ik. En dat daar in de meeste gevallen niets tegenover staat, geen enkele erkenning, eerder afkeer. Dat anderen dat niet zien, niet ervaren, omdat het vaak alleen de partner is die het slachtoffer is van deze benadering, maakt het niet makkelijker. Evenals het feit dat de partner vaak zelf ziek is, of op zijn minst oud.
Het klopt allemaal, het is zo herkenbaar. 
Ze beschrijft ook haar gesprekken met deskundigen. Mensen die de ziekte zelf of van dichtbij doormaken. Met artsen en wetenschappers. Ze vertelt over de overeenkomsten en verschillen van hen die weten wat hun toekomst zal zijn. Sommigen berusten in hun lot, anderen beslissen, op het moment dat zij nog in staat zijn dat te doen, dat zij de verandering die hen onherroepelijk te wachten staat niet willen meemaken. Hun identiteit niet willen verliezen en veranderen in een persoon die zij nooit geweest zijn. Het toekomstige lege bestaan van niets herinneren, geen toekomst meer hebben, willen verruilen voor de dood.
Het ontroert en beangstigt me tegelijkertijd. Ik ben mijn vriendin dankbaar voor het boek. 

Ook mijn vader gaat achteruit. Zelf ziet hij dat niet, logisch, want hij vergeet alles, dus ook wat hij vergeet. Als ik lees dat hij de avond ervoor gesjoeld heeft en ik daarover begin, kijkt hij  me vreemd aan. Hij heeft geen idee dat hij heeft gesjoeld. Iedere week is hij zijn agenda kwijt. Die vind ik dan meestal in zijn kledingkast, tussen pyjama’s, shirts of ondergoed. Als ik vraag waarom hij dat doet zegt hij: ‘Als er iemand binnenkomt zou hij mijn agenda kunnen inzien.’
Ik lach inwendig om deze voor Alzheimer zo typische argwanendheid. In zijn agenda zijn geen geheimen te vinden. Ik leg de bladwijzer altijd weer op de goede week, in de hoop dat hij hem daar laat zodat hij kan zien wanneer ik of mijn moeder langs kom en wanneer ik hem haal voor de fysio.
De bezoekjes worden een patroon. Ik kom, zet koffie, zoek zijn agenda en praat over het weer, de medewerkers en de medebewoners. Ik vraag wat hij de avond ervoor gegeten heeft en krijg altijd hetzelfde antwoord: ‘Geen idee.’ Meestal zegt hij erachteraan: ‘Maar het was wel lekker.’ Ik blijf met oude fotoboeken, koekjes, wijngum’s, chips en biertjes naar hem toe gaan en hoop dat hij het nog even volhoudt en dat we, als het mooier weer wordt, samen op het terras bij het restaurant een drankje kunnen drinken. Dat is wat hij leuk vindt, dat was waar hij vroeger van hield en dat is iets dat hopelijk nog een tijdje kan voor die laatste, meedogenloze fase van zijn dementie aanbreekt.
Soms hoop ik dat hem die bespaart zal blijven.

(On)geloof en Persvrijheid

Gepubliceerd op 3 april 2021 om 12:32

Afgelopen week was ik geschokt, verbaasd en bovenal boos. Zoals journalisten de laatste tijd steeds vaker moeten ervaren was ook de journalist van PowNed slachtoffer van agressie. Men vond het, naast verbaal onvriendelijk gedrag, ook nodig hem omver te rijden. Had deze kerkganger de bijbel wel goed gelezen?

‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf.’ (Mattheüs 22:37-39) 

Op een andere plek in het land werd die zondag een journalist door een kerkganger in zijn buik getrapt. Beschaafdheid was ook hier ver te zoeken.
Hoe kan een kerk dit soort leden toelaten? Zouden deze mannen een kerkverbod krijgen zoals voetbalfans een stadionverbod? Ik vraag het me af als ik lees dat een dominee in zijn preek het geweld verdedigt en journalisten vergelijkt met terroristen en SS’ ers. We monitoren imams, misschien wordt het tijd dat er ook eens kritisch gekeken gaat worden naar dit soort kerken en dominees. 

Onze vrijheid van meningsuiting is een fundamenteel beginsel van onze democratie, iets waar we niet alleen trots maar ook zuinig op moeten zijn. Buiten dat het schenden van dat beginsel mijn hartkloppingen weer deed opleven was ik weer eens vol ongeloof over deze kerk. Het intrigeert me. Zonder dat ik wil oordelen of veroordelen, lijkt veel zo hypocriet. Zo weet ik vrijwel zeker dat het merendeel van de kerkgangers in Urk thuis geen televisie heeft. Belangrijk voor deze gemeenschap is een zekere afstand bewaren tot de wereld. Televisies vind je daarom niet in gereformeerde gezinnen. Maar evenzoveel hebben wel een laptop met een internetverbinding die ondanks ‘Kliksafe’ geen zekere afstand tot de wereld waarborgt. Zoals ik al zei, ik wil het niet veroordelen, we leven in een vrij land, daarbij met het wel of niet hebben van een televisie kwets je geen mensen, dus waarom zou ik ook? Maar begrijpen doe ik het niet. 

Wat is het goed en het kwaad dat men predikt en geldt dat dan alleen voor henzelf. Het kwaad buiten de kerk is kwaad maar het kwaad binnen de kerk wordt al jarenlang weggemoffeld. Waar ligt het onderscheid?
Wat maakt dat deze mensen, ondanks het bestaan van artikel 6 van de grondwet, de volksgezondheid in gevaar willen brengen? Wat zijn zij überhaupt meer dan die student die niet naar zijn college kan, mijn moeder die niet naar haar bridgeclub kan of welke andere mens dan ook die zijn of haar verenigingsleven tijdelijk on-hold heeft staan? Ook zij missen allemaal het fysiek samen zijn. En al geeft een wet, die overigens al sinds het eind van de 18e eeuw bestaat en alweer bijna 40 jaar geleden voor het laatst is aangepast, deze kerkgangers dat recht, ik vraag me serieus af waarom ze het willen. Waarom kunnen zij niet, net als de rest van Nederland en gelukkig ook vele andere kerken en moskeeën, online samen komen? Een internetverbinding is er al, een tv is hier niet voor nodig.

Een beginsel van het geloof, welk geloof dan ook, is dat je niet egoïstisch moet zijn, dat je niet alleen voor jezelf maar juist ook voor die ander leeft. En je zou zeggen dat je niet wilt dat je buurman, die misschien niet naar jouw kerk gaat maar die wel naast je in de rij bij de supermarkt staat, ziek wordt. Of het buurmeisje en vriendinnetje van jouw dochter, die vervolgens op haar beurt haar kwetsbare opa of oma besmet en die, in het ergste geval overlijdt. Volgens mij is dat het laatste dat je als gelovige wilt, hoewel ik me dat serieus afvroeg toen ik kerkgangers zag hoesten naar de journalist die gewoon zijn werk deed. Het is niet te hopen dat één van hen corona had. 
Wat stond er ook alweer in de bijbel?  ‘Gij zult niet doden.’